Het vertrouwensbeginsel vanuit een ander perspectief

Een beroep op het vertrouwensbeginsel dient op een andere wijze dan voorheen te worden beoordeeld. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overweegt in die uitspraak dat een beroep op het vertrouwensbeginsel meer vanuit het perspectief van de ‘redelijk denkende burger’ moet worden beoordeeld. De voorzitter van de Afdeling had eerder de staatsraad advocaat-generaal verzocht hier een advies over op te stellen. De Afdeling volgt met deze uitspraak de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal.

Het vertrouwensbeginsel

Het vertrouwensbeginsel komt er, kort gezegd, op neer dat een burger erop moet kunnen vertrouwen, dat toezeggingen van een bestuursorgaan ook worden nagekomen. Een bestuursorgaan dat handhavend optreedt tegen een burger, nadat datzelfde bestuursorgaan eerder aan die burger heeft toegezegd niet tot handhaving over te gaan, handelt dus in strijd met het vertrouwensbeginsel.

De Afdeling stelde echter strenge eisen aan een beroep op het vertrouwensbeginsel. Van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kon slechts sprake zijn als er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen konden worden ontleend.

Vanuit de praktijk was er veel kritiek op deze wijze van beoordeling. Voor de gemiddelde burger zal een toezegging van een bouwinspecteur namelijk al gauw verwachtingen hebben gewekt. Echter, onder het oude regime was een dergelijke toezegging onvoldoende om daaraan rechtens te honoreren verwachtingen te ontlenen. De bouwinspecteur is immers geen bestuursorgaan en dus niet de bevoegde persoon.

De casus

In de uitspraak betrof het een handhavingsprocedure door het college van burgemeester van wethouders van Amsterdam ten aanzien van een dakterras.  Het college was van mening dat het dakterras in strijd met het bestemmingsplan was en had de eigenaar een last onder dwangsom opgelegd om het dakterras te verwijderen. De eigenaar stelde echter dat omdat haar door de bouwinspecteur en andere ambtenaren van de gemeente Amsterdam was verteld dat de aanwezigheid van het dakterras niet tot handhaving zou leiden, zij een succesvol beroep kon doen op het vertrouwensbeginsel. Vanwege de door de ambtenaren gedane toezeggingen zou het handhavend optreden door het college in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel.

Stappenplan

In de bovengenoemde uitspraak overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. Ten eerste moet bepaald worden of de uitlating als toezegging gekwalificeerd kan worden. Ten tweede moet worden bepaald of de toezegging aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Ten derde dient de vraag te worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

Ten aanzien van de eerste stap overweegt de Afdeling dat meer de nadruk moet worden gelegd op hoe een uitlating bij een redelijk denkende burger overkomt en minder op wat het bestuursorgaan daarmee bedoelde. Dat geldt volgens de Afdeling ook voor de gedraging. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuursorgaan over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

Ten aanzien van de tweede stap (de vraag of een toezegging ook aan een bestuursorgaan is toe te rekenen) overweegt de Afdeling dat een verschuiving nodig is van het bestuurlijke naar het burgerperspectief. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 19 juli 2017, in die zaak was sprake van uitdrukkelijk namens het bevoegde orgaan gedane toezeggingen van niet daartoe bevoegde ambtenaren. In die uitspraak kwam de Afdeling tot het oordeel dat de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze personen de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkten. De Afdeling overweegt in dat kader ook in andere gevallen minder de nadruk te leggen op de precieze bevoegdheidsverdeling. Ook in die gevallen kan een toezegging worden toegerekend aan het bevoegde orgaan, indien de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat degene die de toezegging heeft gedaan de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

Ten aanzien van de derde stap overweegt de Afdeling dat de verschuivingen in de eerste en tweede stap niet hoeven te betekenen dat vaker dan nu toezeggingen moeten worden nagekomen als gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Wel moeten eerder de betrokken belangen worden afgewogen. De Afdeling overweegt in dit verband dat het algemeen belang dat gediend is bij handhaving in zijn algemeenheid weliswaar zwaar weegt, maar, indien een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gedaan, niet doorslaggevend hoeft te zijn, als er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis aangewezen kunnen worden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming, aldus de Afdeling.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de Afdeling met deze uitspraak aangeeft een beroep op het vertrouwensbeginsel op principieel andere wijze te beoordelen dan in de afgelopen decennia.

Kort gezegd, komt de nieuwe beoordelingswijze erop neer dat een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan indien een redelijk denkend burger op een door een ambtenaar gedane toezegging mag vertrouwen, dat geldt ook indien de toezegging juridisch niet geheel juist is.

De Afdeling past door de nadruk bij de beoordeling te verleggen van een bestuurs- en bevoegdhedenperspectief naar een burgerperspectief (waarop mag een redelijk denkend burger vertrouwen?), mijns inziens, een voor burgers redelijker en beter te begrijpen beoordeling toe.

Heeft u naar aanleiding van deze blog nog vragen, dan kunt u contact opnemen met Frank Wijnveld of Jan Rube op 020 3032489 of per e-mail: info@rubewijnveld.nl.


Een gedoogbeslissing is geen besluit

Een gedoogbeslissing is geen besluit in de zin van de Awb.  Tot deze conclusie kwam de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) in zijn uitspraak van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1356). De Afdeling maakt daarmee een einde aan de heersende onduidelijkheid omtrent de vraag of een gedoogbeslissing van een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht valt te kwalificeren.

De procedure

Het ging in deze procedure om een door het college van burgemeester en wethouders van Bladel gegeven gedoogbeslissing. De gedoogbeslissing kwam er kort gezegd op neer dat de eigenaar van een stal uit 1933 (waarvoor geen bouwvergunning was verleend) die stal mocht blijven gebruiken totdat hij die verkoopt of tot hij kwam te overlijden. Daarna diende de stal te worden verwijderd.

De eigenaar was van mening dat de gedoogbeslissing hem beperkte in zijn eigendomsrecht en dat hij de zaak daarom aan de bestuursrechter moest kunnen voorleggen.

Belang van het besluitbegrip

Het is van groot belang om te weten of een handeling van een bestuursorgaan is te kwalificeren als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb. Op grond van de Awb staat immers in beginsel enkel tegen een besluit van een bestuursorgaan beroep bij de bestuursrechter open. Tegen een handelen van een bestuursorgaan dat niet als een besluit in de zin van de Awb kwalificeert staat in beginsel dan ook geen beroep bij de bestuursrechter open.

De overwegingen van de Afdeling

De rechtspraak omtrent de vraag of een gedoogbeslissing als een besluit is te kwalificeren is, zoals de Afdeling ook zelf overweegt, complex en niet altijd even helder. De Afdeling is dan ook van mening dat meer duidelijkheid gewenst is. De Afdeling kiest daarom voor een nieuwe lijn. De nieuwe lijn houdt kort gezegd in dat de gedoogbeslissing, de weigering een gedoogbeslissing te nemen en de intrekking van de gedoogbeslissing, op een enkele uitzondering na, geen besluiten zijn in de zin van de Awb en daarmee ook niet worden gelijkgesteld.

De Afdeling overweegt dat voor het maken van een uitzondering in elk geval ruimte is en blijft in de situatie beschreven in de uitspraak van 9 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7160) waarin door de Afdeling is overwogen dat een exploitant van een coffeeshop moet kunnen procederen tegen de intrekking van een gedoogbeslissing, omdat anders er een grotere kans was dat hij strafrechtelijk zou worden veroordeelt. Vanwege de grotere kans op ontneming van zijn vrijheid wordt de intrekking van de gedoogbeslissing voor de exploitant in de situatie om redenen van rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. De Afdeling benadrukt dat het moet gaan om zeer uitzonderlijke gevallen en dat beschreven geval tot op heden het enige dat in de jurisprudentie als zeer uitzonderlijk is aangemerkt.

Gedoogbeslissingen zijn geen besluiten omdat deze beslissingen niet op rechtsgevolg zijn gericht, aldus de Afdeling. Een beslissing om (al dan niet onder voorwaarden) niet tot handhaving over te gaan, berust immers niet op een zelfstandige bevoegdheid, maar vloeit voort uit een wettelijk toegekende bevoegdheid tot het nemen van een handhavingsbesluit. Het gelijkstellen van alle soorten gedoogbeslissingen met een besluit zou suggereren dat de rechter het nemen van beslissingen over gedogen als een zelfstandige bevoegdheid beschouwt naast de handhavingsbevoegdheid. Alleen de wetgever zou tot het scheppen van een dergelijke bevoegdheid kunnen overgaan. Een dergelijke algehele gelijkstelling zou daarom, daargelaten of die wenselijk zou zijn, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan, aldus de Afdeling.

Geen toegang meer tot de bestuursrechter bij een gedoogbeslissing?

Ten aanzien van de mogelijkheid om tegen een gedoogbeslissing in rechte op te komen overweegt de Afdeling dat een belanghebbende die wordt geconfronteerd met een gedoogbeslissing het gemeentebestuur kan verzoeken om handhaving op te treden. Tegen een besluit op zo’n handhavingsverzoek kan beroep worden ingediend bij de bestuursrechter. Bij een weigering om te gedogen of intrekking van een gedoogbeslissing kan een betrokkene het gemeentebestuur om een vergunning vragen. Tegen de weigering van een vergunning kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Tenslotte kan een belanghebbende ook een handhavingsbesluit van het bevoegd gezag afwachten en daartegen procederen bij de bestuursrechter.

Heeft u naar aanleiding van deze blog nog vragen, dan kunt u contact opnemen met Frank Wijnveld of Jan Rube op 020 3032489 of per e-mail: info@rubewijnveld.nl.


Hotelterras: nieuw gebruik of kruimelgeval?

In een recente uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vraag beantwoord of het door een hotelexploitant in gebruik nemen van de achter het hotel gelegen tuin als terras kwalificeert als nieuw gebruik of een gebruikswijziging van het aansluitend terras als bedoeld in de kruimelgevallenlijst.

Kruimelgevallenlijst

Het toegestane gebruik is neergelegd in het bestemmingsplan. Indien een gewenst gebruik niet in het bestemmingsplan is opgenomen is dat gebruik in strijd met het bestemmingsplan en derhalve op grond van artikel 2.1 lid 1 sub c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: “Wabo”) verboden.

De Wabo biedt echter in artikel 2.12 lid 1 een drietal mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Er kan, kort gezegd, op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1o, 2o en 3o Wabo op de volgende wijzen van het bestemmingsplan worden afgeweken;

  1. met toepassing van eventueel in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
  2. bij in algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de kruimelgevallenlijst) en;
  3. indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De algemene maatregel van bestuur waarnaar in bovengenoemd artikel wordt verwezen is opgenomen in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: “Bor”). De in dat artikel opgenomen opsomming wordt de kruimelgevallenlijst genoemd. Deze lijst is in 2014 voor het laatst significant aangepast door de Minister.

Het wel of niet van toepassing zijn van de kruimelgevallenlijst is van groot belang voor degene die een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan vraagt. Immers, indien de kruimelgevallenlijst van toepassing is geldt de reguliere procedure (met een beslistermijn van acht weken) en niet de uitgebreide procedure (met een beslistermijn van zes maanden). Daarbij dient deze aanvraag ook een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing te hebben. Het opstellen van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing is echter niet eenvoudig.

De uitspraak

In de betreffende casus waren partijen het erover eens dat het in gebruik nemen van de tuin als terras in strijd is met het bestemmingsplan. Tevens zijn ze het erover eens dat het bestemmingsplan geen afwijkingsbevoegdheid bevat, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo.

Partijen waren het echter niet eens over de vraag of het terras een kruimelgeval was of niet. Het college meende van niet, waardoor volgens het college, de uitgebreide procedure doorlopen diende te worden. De rechtbank gaf hen daarin gelijk, waardoor de hotelexploitant hoger beroep bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) instelde.

In deze uitspraak beantwoordt de Afdeling de vraag of het gebruik van de hoteltuin als terras kwalificeert als nieuw gebruik als bedoeld in de toelichting bij de wijziging van het Bor en (ii) of het is vereist dat de gebruikswijziging van een aansluitend terrein samengaat met de wijziging van het gebruik van het bouwwerk waarop het terrein aansluit?

De Afdeling overweegt ten aanzien van bovenstaande vragen als volgt:

De nota van toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Staatsblad 2014, 333) vermeldt onder meer dat met het merendeel van de in dat besluit doorgevoerde aanpassingen de reikwijdte van artikel 4 op onderdelen wordt vergroot, zodat meer aanvragen om een omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure en daarmee dus sneller kunnen worden afgewikkeld. Voor gevallen die niet binnen de reikwijdte van artikel 4 vallen, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd. Globaal beschouwd is dat laatste het geval voor de bouw van een nieuw hoofdgebouw of het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie. Voor uitbreidingen van en gebruikswijzigingen binnen al bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende percelen geldt de hoofdlijn dat de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast.

Voorts vermeldt de nota dat in artikel 4, onderdeel 9, verder enige redactionele aanpassingen zijn doorgevoerd teneinde toepassingsmogelijkheden van dit artikelonderdeel waarover in de praktijk misverstanden kunnen bestaan, te verduidelijken. Zo is in het artikelonderdeel expliciet tot uitdrukking gebracht dat onder de reikwijdte van het artikelonderdeel niet alleen valt het desbetreffende bouwwerk, maar ook het daarbij aansluitend terrein. Anders zou de ongerijmde situatie kunnen ontstaan dat een bouwwerk na de gebruikswijziging feitelijk onbruikbaar is, omdat het aansluitend terrein niet ten behoeve van het bouwwerk mag worden gebruikt, waardoor bijvoorbeeld de toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd. Met bovengenoemde wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat het aansluitend terrein onder de reikwijdte van het artikelonderdeel valt.

Appellant heeft de aanvraag ingediend om de achter zijn hotel gelegen tuin in gebruik te kunnen nemen als terras. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is daarmee geen sprake van het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie, zoals bedoeld in de nota van toelichting, maar van een gebruikswijziging van het bij het hotel behorende aansluitend terrein, dat onder het bereik van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor valt. Evenmin kan het college worden gevolgd in zijn standpunt dat dit artikel slechts van toepassing is op de wijziging van het gebruik van een aansluitend terrein, indien dit samengaat met een wijziging van het gebruik van het bouwwerk waar dat terrein op aansluit. Met het doel van de wijziging van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor, zoals hiervoor weergegeven, laat zich niet rijmen dat, waar voor een gebruikswijziging van een aansluitend terrein samen met de gebruikswijziging van het bouwwerk waarop het terrein aansluit de reguliere voorbereidingsprocedure kan worden gevolgd, voor de zelfstandige gebruikswijziging van een bij een bouwwerk aansluitend terrein, bijvoorbeeld indien het gewenste gebruik van dat bouwwerk reeds is vergund, de uitgebreide voorbereidingsprocedure zou moeten worden gevolgd.”

Conclusie

Gezien het bovenstaande kan het gebruik van een bij een bouwwerk aansluitend terrein, niet los worden gezien van het gebruik van het desbetreffende bouwwerk. Voor uitbreidingen van en gebruikswijzigingen binnen al bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende percelen geldt volgens de Afdeling de hoofdlijn dat dit een kruimelgeval is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast. Dit is voordelig, want dat scheelt al gauw een paar maanden in de duur van de procedure.

Heeft u naar aanleiding van deze blog nog vragen, dan kunt u contact opnemen met Frank Wijnveld of Jan Rube op 020 3032489 of per e-mail: info@rubewijnveld.nl.


Viswinkel

Toeristenwinkel of niet?

Het Parool kopte op 25 mei 2018 met “’Toeristische’ viswinkel Leidsestraat moet dicht”. Winkel voor de buurt zegt de exploitant, toeristenwinkel met snackbar lijkt de gemeente te zeggen. Of de gemeente Amsterdam gelijk heeft, is echter nog maar de vraag. Wat een “toeristenwinkel” exact is, is namelijk niet duidelijk. De soep wordt niet altijd zo heet gegeten als de gemeente zegt.

Viswinkel of toeristenwinkel

Het gaat om de nieuwe vestiging van de in Amsterdam bekende Seafood Bar, die in het centrum, de Pijp en de Rivierenbuurt restaurants exploiteert. De vestiging aan de Leidsestraat is echter geen restaurant, maar een viswinkel “The Seafood Shop“waar zoals in alle viswinkels in Nederland ook bijvoorbeeld gebakken kibbeling en broodjes haring wordt verkocht.

De gemeente Amsterdam lijkt dit echter anders te zien en verwijst volgens het Parool naar het in oktober 2017 vastgestelde Voorbereidingsbesluit op basis waarvan kort gezegd volgens de gemeente vanaf 6 oktober 2017 geen toeristenwinkels meer mogen openen in de binnenstad. In het Parool is te lezen dat dit zou komen door de Engelse naam The Seafood Shop, dat er wordt gefrituurd, er te weinig verse vis verkocht wordt en op de vensterbank een bordje van Tripadvisor aanwezig was.

Wanneer een winkel een toeristenwinkel is, of niet, is in tegenstelling tot wat de gemeente vaak zegt niet altijd volstrekt duidelijk te zeggen, waardoor er voor winkeliers vervelende handhavingsproblemen kunnen ontstaan.

Het voorbereidingsbesluit

Op grond van het Voorbereidingsbesluit mogen vanaf 6 oktober 2017 in de binnenstad van Amsterdam geen nieuwe winkels meer starten die zich op basis van reclame-uiting, presentatie, assortiment en/of bedrijfsvoering op toeristen richten. Verder mogen geen nieuwe winkels meer starten die etenswaren verkopen, maar die zich in hoofdzaak richten op het meegeven van die etenswaren om direct gegeten te worden.

Sinds het van kracht worden van het Voorbereidingsbesluit bestaat er echter discussie tussen winkeliers en de gemeente Amsterdam over de vraag waar nu exact de grens ligt. Met andere woorden, wanneer ben je gewoon een winkel en wanneer ben je toeristenwinkel of snackbar?

Soms is dat duidelijk, maar er is een groot grijs gebied. Een eenvoudig voorbeeld is een kaaswinkel die een standaard assortiment Nederlandse en buitenlandse kazen voert dat zich niet onderscheidt van de kaaswinkel in een winkelcentrum in Diemen. Het enige verschil is dat deze kaaswinkel is gevestigd in de binnenstad van Amsterdam waar nu eenmaal veel toeristen komen. Als winkelier zou je gek zijn om toeristen niet te faciliteren door bijvoorbeeld ook het assortiment in het Engels te vermelden. Je komt dan als winkelier al vrij snel in de buurt van een toeristenwinkel volgens de gemeente.

Een andere onduidelijkheid is wanneer een winkel zich nu in hoofdzaak richt op het verkopen van etenswaren voor directe consumptie. Dat een viswinkel gebakken kibbeling verkoopt en daarmee niet een snackbar is, is algemeen geaccepteerd. Wat je als winkelier echter niet in de hand hebt is de vraag naar de kibbeling. Afhankelijk van waar de winkel is gevestigd en welk publiek daar rondloopt is het denkbaar dat je meer kibbeling verkoopt dan op een andere plaats. Assortiment, uitstraling en wijze van verkoop zijn niet anders, maar als de verkoop van kibbeling de overhand begint te krijgen, dan zou de gemeente zomaar kunnen concluderen dat je je in hoofdzaak richt op het verkopen van etenswaren voor directe consumptie. Zonder dat je daar directe invloed op kunt uitoefenen.

Wijze van handhaving

Een ander opvallend aspect wat te lezen is in het artikel van het Parool is dat de gemeente pas met de winkelier wil praten nadat hij de winkel heeft gesloten. Dat is een harde opstelling van de gemeente die in strijd lijkt te zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Immers, mocht er al sprake zijn van een overtreding, dan kan deze op verschillende manieren worden opgelost, bijvoorbeeld door het assortiment of de inrichting aan te passen, waardoor de winkel niet zou hoeven te sluiten. Het is wel altijd handig om dat in overleg met de gemeente te doen om misverstanden te voorkomen. Door de deur voor dat overleg dicht te gooien, lijkt de gemeente alleen deze mogelijke oplossing af te kappen, wat in strijd lijkt te zijn met het beginsel van fair play en het evenredigheidsbeginsel. Nog daargelaten of de geëiste sluiting het meest evenredige handhavingsmiddel is.

Kom op voor je rechten

Bovenstaande voorbeelden maken duidelijk dat hoewel er een grijs gebied is, de gemeente vrij snel zou kunnen concluderen dat winkels in strijd handelen met het Voorbereidingsbesluit, wat weer verstrekkende gevolgen kan voor de winkelier. Als advocatenkantoor staan wij veel winkeliers bij die te maken hebben (gehad) met deze vragen. Hoewel elke zaak en elke winkel verschilt is de gemene deler dat het altijd aan te raden is om het standpunt van de gemeente goed en kritisch te bekijken. Er is veel ruimte voor discussie.

Meer vragen over het Voorbereidingsbesluit, de grens tussen winkel, toeristenwinkel en horeca of handhaving? Neem contact op met Rube & Wijnveld advocaten op 0203032489, of info@rubewijnveld.nl. Een eerste gesprek is altijd kosteloos.

Foto: Franklin Heijnen. De winkel op de foto is niet The Seafood Shop.


Vakantieverhuur

Meldplicht vakantieverhuur Amsterdam

Per 1 oktober 2017 zijn alle hoofdbewoners die incidenteel hun woning aan toeristen verhuren verplicht dit te melden bij de gemeente Amsterdam. Deze meldplicht voor vakantieverhuur is een gevolg van de wijziging van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016.

Vakantieverhuur en huisvestingsverordening

De gemeente hoopt door deze meldplicht de naleving van de regels en de bestrijding van illegale vakantieverhuur te bevorderen. In Amsterdam is vakantieverhuur na 1 oktober 2017 op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 enkel nog onder de volgende voorwaarden toegestaan:

·         de te verhuren woning dient officieel de bestemming wonen te hebben en deze mag uitsluitend door de hoofdbewoner worden verhuurd;

·         de verhuur van de woning dient een incidenteel karakter hebben (de woning mag in ieder geval niet meer dan 60 dagen per kalenderjaar worden verhuurd);

·         per woning mag slechts aan vier personen per nacht onderdak worden geboden;

·         de woning mag geen eigendom zijn van een woningbouwcorporaties;

·         elke vakantieverhuur dient voorafgaand aan de verhuur aan het college van burgemeester en wethouders te worden gemeld.

Boete

Op overtreding van de meldplicht staat een bestuurlijke boete van € 6.000,00. Daarbij geldt nog dat indien er andere overtredingen worden geconstateerd, zoals de verhuur aan meer dan vier personen per woning per nacht, dat ook voor die overtreding een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Die boete bedraagt € 20.500,00 per overtreding.

Andere beperkingen

In onze praktijk hebben wij gemerkt dat veel verhuurders denken dat als zij zich aan de door de gemeente gestelde regels houden zij hun woning ongestoord kunnen verhuren. Dat is echter niet altijd geval.

Zo kan de verhuur van een eigen woning op grond van de splitsingsakte niet zijn toegestaan. Het is voor een hoofdbewoner die tevens eigenaar van de woning is, dan ook raadzaam om voorafgaand aan de verhuur te informeren of de splitsingsakte vakantieverhuur toestaat.

Verder geldt dat het in gebruik geven aan derden van een woning op grond van veel huurovereenkomsten niet is toegestaan. Huurders van een woning dat geen eigendom is van een woningbouwcorporatie zouden voorafgaand aan eventuele verhuur dan ook moeten nagaan of verhuur ook op grond van de huurovereenkomst is toegestaan.

Over de juridische implicaties van vakantieverhuur schreven wij al in onze eerdere blog “Vergaande verantwoordelijkheden eigenaar bij (onder)verhuur via Airbnb” Heeft u vragen over vakantieverhuur, huurrecht of handhaving, dan kunt u contact opnemen met Jan Rube of Frank Wijnveld op 020-3032489 of per e-mail op info@rubewijnveld.nl


Leidinggevende

Leidinggevende in supermarktslijterij verplicht

In september 2015 schreven wij al over een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:4940) waarin de rechtbank oordeelde dat in de “supermarktslijterijen” altijd een afzonderlijke leidinggevende aanwezig dient te zijn en deze dus niet “in de supermarkt” zelf mocht rondlopen. Doordat het een principiële kwestie was, die voor supermarkten gevolgen zou kunnen hebben, was de verwachting dat de zaak ook voorgelegd zou worden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inmiddels heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 december 2016 drie uitspraken gedaan hierover en kort gezegd het oordeel van de rechtbank bevestigd. In slijterijen in supermarkten zal daardoor permanent een leidinggevende aanwezig moeten.

De aanleiding

Op grond van artikel 24 lid 1 Drank- en horecawet (hierna: “DHW”) is het verboden een slijterij voor het publiek geopend te houden als geen leidinggevende binnen de inrichting aanwezig is, die vermeld staat op de bijlage bij de slijtvergunning. De vraag is of “de inrichting” waar de slijtvergunning op ziet enkel wordt gevormd door de slijterij, of door de slijterij en de supermarkt tezamen. Indien dat laatste het geval zou zijn, wordt ook aan de aanwezigheidsverplichting voldaan als de leidinggevende in de supermarkt (en dus niet in de slijterij zelf) aanwezig is.

De drie procedures zijn aangekaart door branchevereniging SlijtersUnie. In de desbetreffende supermarkten zijn tevens een slijterijen gevestigd in een aparte ruimte. Ten aanzien van deze slijterijen had SlijtersUnie een verzoek om handhaving ingediend bij de burgemeesters van de afzonderlijke gemeenten, omdat volgens de Vereniging de desbetreffende slijterij in strijd met artikel 24 lid 1 DHW geopend is op momenten dat geen leidinggevende aanwezig is in de aparte ruimte waar het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend binnen de supermarkt.

De burgemeesters waren van mening dat geen afzonderlijke leidinggevende permanent in het slijterijgedeelte van de supermarkt aanwezig hoefde te zijn en wezen daarom de verzoeken van SlijtersUnie af. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde echter als gezegd anders. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn de uitkomst van het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant.

Leidinggevende en slijtersbedrijf

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt de rechtbank in het oordeel dat de inrichting waar de slijtvergunning op ziet de lokaliteiten omvat waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De Afdeling vervolgt door te overwegen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat een “inrichting niet bestaat uit het gehele pand, waarin zowel de supermarkt als de slijterij is gevestigd, maar slechts uit de daarin gesitueerde besloten ruimten waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend”.

Van belang is dus in welke besloten ruimte het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De partijen waren het er over eens dat deze activiteiten in de slijterij met een oppervlakte van 32 m² worden uitgeoefend. De slijtlokaliteit valt daarom samen met de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, zoals artikel 1 lid 1 DHW bepaalt. De supermarkt maakt geen onderdeel uit van die inrichting. Andere ruimten kunnen wel tot de inrichting behoren, maar die ruimten moeten direct noodzakelijk zijn voor en ten dienste moeten staan van de bedrijfsvoering van het slijtersbedrijf. Daarbij kan volgens de Afdeling gedacht worden aan (eventueel met de supermarkt gedeelde) kantoorruimte en voorraadloods. De supermarkt is zelf echter niet zo een “andere besloten ruimte”. De Afdeling verwijst daarvoor eveneens naar de wetsgeschiedenis waarin voorbeelden van warenhuizen en winkelcentra worden genoemd die in feitelijke zin als één besloten ruimte gezien zouden kunnen worden maar waarin het slijtersbedrijf in de zin van de DHW in een besloten ruimte binnen het winkelcentrum of warenhuis uitgeoefend moet worden.

Consequenties

Het gevolg van de uitspraken is dat dus altijd een leidinggevende aanwezig moet zijn in de slijterij in een supermarkt of in de ruimten die daarbij horen. Enkel de leidinggevende van de supermarkt op de vergunning zetten is dus niet voldoende.

Relativiteitsvereiste

Een ander relevant punt in deze uitspraken is dat hierin voor de eerste maal in navolging van de conclusie van advocaat-generaal Widderhoven een zogenoemde correctie op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. Daar zullen wij in een ander blog nader op ingaan.

Indien u nog vragen heeft over Drank- en horecawetvergunningen kunt u contact met ons opnemen op info@rubewijnveld.nl of 020 303 2489.

 


Geluidsnormen

Kortdurend en incidenteel strijdig gebruik

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) is het mogelijk om met het geldende bestemminsplan strijdige gebruik toe te staan, als er sprake is van “kortdurend en incidenteel” strijdig gebruik. Over het antwoord op de vraag wanneer het strijdige gebruik slechts kortdurend en incidenteel is niet altijd even duidelijk. In een recente uitspraak geeft de Afdeling iets meer duidelijkheid.

In deze zaak heeft de burgemeester van Bodegraven-Reeuwijk aan de exploitanten van een sporthal een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van een kantine in en terras bij de sporthal. De exploitatievergunning biedt horeca-inrichtingen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: “APV”) van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk onder meer de mogelijkheid om acht maal per jaar activiteiten met versterkte live muziek binnen de sporthal te laten plaatsvinden, waarbij de geldende geluidsnormen niet van toepassing zijn.

Appellant is een omwonende van de sporthal en heeft tegen de verlening van de vergunning bezwaar gemaakt. Volgens appellante is de verlening van de exploitatievergunning in strijd met het bestemmingsplan. Verder stelt de appellant dat het door de exploitatie van de sporthal geproduceerde geluid het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. Deze grond voor hoger beroep is in het vorige nieuwsartikel al behandeld.

Strijd met het bestemmingsplan

Appellant is, in tegenstelling tot de burgemeester, van mening dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren op grond dat de exploitatie in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het volgens verwachting van vijf keer per jaar houden van een niet-sport gerelateerd feest niet is aan te merken als kortdurend en incidenteel gebruik in strijd met de ter plaatse van de sporthal geldende bestemming. De appellant voert hiertoe aan dat de burgemeester op grond van de APV een exploitatievergunning moet weigeren indien de exploitatie in strijd is met een bestemmingsplan en die bepaling geen ruimte biedt voor een uitzondering bij kortdurend en incidenteel strijdig gebruik. Ook voert hij aan dat op basis van de uitspraak van de rechtbank niet duidelijk is wanneer handhavend kan worden opgetreden omdat het met de bestemming strijdige gebruik niet kortdurend en incidenteel is.

Kortdurend en incidenteel strijdig gebruik

De Afdeling geeft de appellant gelijk en overweegt dat, nu appellant in bezwaar heeft aangevoerd dat de exploitatie van de sporthal in strijd zou zijn met het geldende bestemmingsplan, de burgemeester had moeten onderzoeken of de voorgenomen exploitatie ook daadwerkelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Interessanter is echter dat de Afdeling verder overweegt dat bij het vijf keer per jaar houden van een dergelijk feest geen sprake is van een kortdurend en incidenteel met de bestemming strijdig gebruik. De Afdeling helaas overigens niet aan wanneer dan wel sprake zou zijn van kortdurend en incidenteel strijdig gebruik. Dat is iets wat de burgemeester dan moet onderzoeken.

Voor vragen over de interpretatie van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen om van bestemmingsplannen af te kunnen wijken kunt u contact opnemen met Rube & Wijnveld Advocaten op 020 3032489 of per e-mail op info@rubewijnveld.nl.


Geluidsnormen

Geluidsnormen en het woon- en leefklimaat

Dat een horeca-inrichting voldoet aan de geldende geluidsnormen, betekent niet dat het door de horeca-inrichting geproduceerde geluid het woon-en leefklimaat in de omgeving niet ontoelaatbaar kan beïnvloeden. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”).

In deze zaak had de burgemeester van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan de exploitanten van een sporthal een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van een kantine in en terras bij de sporthal. De exploitatievergunning biedt exploitanten van een horeca-inrichting op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: “APV”) van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk onder meer de mogelijkheid om acht maal per jaar activiteiten met versterkte live muziek binnen de sporthal te laten plaatsvinden, waarbij de geldende geluidsnormen niet van toepassing zijn. De appellant in deze zaak is een omwonende van de sporthal die bezwaar heeft gemaakt tegen de exploitatievergunning, omdat hij daarvan geluidsoverlast ondervindt. Het door hem gemaakte bezwaar en het daarop door hem ingestelde beroep zijn achtereenvolgens ongegrond verklaard.

De appellant stelt dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren op grond dat de exploitatie in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het volgens verwachting van vijf keer per jaar houden van een niet-sportgerelateerd feest niet is aan te merken als kortdurend en incidenteel gebruik in strijd met de geldende bestemming. Aan deze beroepsgrond zal in het volgende nieuwsbericht aandacht worden besteed.

Geluidsoverlast

Voor wat betreft geluid voert appellant aan dat de geluidsoverlast die dreigt zodanig is dat sprake is van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie als bedoeld in de APV. Hij wijst onder meer op de korte afstand tussen zijn woning en de sporthal, en de omstandigheden dat zijn woning en de sporthal verbonden zijn – waardoor vooral lage muziektonen doorklinken – en zijn slaapkamer zich nabij de ingang van de sporthal bevindt. De appellant stelt na afloop van een evenement met versterkte muziek tot in de nacht last te hebben van de uitstroom van publiek en het inladen van spullen.

Geluidsnormen en woon- en leefklimaat

De rechtbank, en later de Afdeling, heeft overwogen dat eventuele geluidsoverlast vanuit de horeca-inrichting moet worden betrokken bij de beoordeling of de woon- en leefsituatie ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester heeft dit niet gedaan. Bij de verlening van de exploitatievergunning heeft de burgemeester slechts te kennen gegeven dat hij, gelet op het door hem gevolgde advies van de bezwaarcommissie, de Omgevingsdienst Midden-Holland zal verzoeken om een geluidmeting uit te voeren bij de eerstvolgende festiviteit ter plaatse van de sporthal. De Afdeling overweegt dat de burgemeester hiermee echter onvoldoende heeft onderzocht of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de sporthal door de geluidsproductie ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. Dat de horeca-inrichting, behalve bij live muziek, door plaatsing van een geluidsbegrenzer aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit voldoet en daarbij de exploitant maximaal acht keer per jaar live-muziek ten gehore wil brengen is niet relevant. De beoordeling of het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed, is volgens de Afdeling immers een andere dan de beoordeling of aan de geluidsnormen wordt voldaan.

Conclusie

Het staat er wat cryptisch, maar wat de Afdeling bedoelt te zeggen is dat het woon- en leefklimaat uit meer bestaat dan alleen geluidsnormen die voor de muziekinstallatie gelden. Bijvoorbeeld borrelend publiek op het terras of (groepen) mensen die met de auto vertrekken produceren ook geluid dat niet wordt meegenomen in de beoordeling van de geluidsnormen. Met andere woorden, bij de beoordeling of de exploitatie van een horeca-inrichting de woon- en leefomgeving ontoelaatbaar beïnvloed dient, naast zaken als parkeerdruk en geur, ook het geluid (ook als de geluidsnormen niet worden overschreden) te worden meegenomen in de afweging.

Voor vragen over geluidsnormen, horeca-recht en exploitatievergunningen kunt contact opnemen met Rube & Wijnveld Advocaten op 020 3032489, of per e-mail op info@rubewijnveld.nl.

 


Opleggen energiebesparende maatregel

De gemeente Amsterdam is onlangs door de bestuursrechter in het ongelijk gesteld in een procedure omtrent een energiebesparende maatregel die zij aan een bedrijf had opgelegd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de wethouder Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam onder meer het volgende laten weten: “Het blijkt wederom dat de gemeente niet de juiste handvatten heeft om daadkrachtig op te treden tegen energieverspilling.” Dat ligt echter genuanceerder dan dat de wethouder stelt. De truc is om de juiste wettelijke instrumenten te gebruiken.

Energiebesparende maatregel in supermarkten

Eerder bespraken wij op deze blog al een andere procedure, waarnaar de wethouder lijkt te verwijzen, over energiebesparingsmaatregelen waarin de gemeente Amsterdam ook in het ongelijk wordt gesteld. In die procedure had de gemeente Amsterdam aan een zevental ALDI supermarkten energiebesparende maatregelen opgelegd. De energiebesparende maatregelen zagen, kortgezegd, op het aanbrengen van een permanente afdekking aan de verticale koelschappen in de supermarkten. ALDI heeft in deze zaak met succes betoogd dat de opgelegde maatregel een terugverdientijd van meer dan vijf jaar heeft. Hierdoor was de opgelegde maatregel volgens de bestuursrechter in strijd met artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. Het besluit tot het opleggen van de energiebesparende maatregel werd daarom door de bestuursrechter vernietigd. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven tegen de uitspraak inzake de ALDI hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Energiebesparende maatregel in datacenters

De eiser in de te bespreken zaak exploiteert een datacenter in Amsterdam. De servers in het datacenter dienen continue gekoeld te worden. Dit vergt een aanzienlijke hoeveelheid energie. Ten aanzien van de koeling van de servers heeft de gemeente Amsterdam geconstateerd dat energiebesparingsmogelijkheden aanwezig zijn. De gemeente Amsterdam heeft het datacenter daarom, onder meer, een verplichting opgelegd om buitenlucht als deze een bepaalde temperatuur heeft aan te wenden om de servers te koelen. Het datacenter heeft echter technische en financiële bezwaren tegen de door de gemeente opgelegde energiebesparende maatregel.

Artikel 2.1 en 2.15 Activiteitenbesluit

De gemeente Amsterdam heeft het opleggen van de energiebesparende maatregel, gebaseerd op de in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit neergelegde zorgplicht. Op basis van deze zorgplicht is degene die een inrichting drijft kort gezegd verplicht alle nadelige gevolgen voor het milieu, die door de inrichting worden veroorzaakt, te voorkomen of te beperken.

De rechtbank overweegt dat de zorgplichtbepaling een zogeheten vangnetregeling is. Dat wil zeggen dat het stellen van energiebesparingsmaatregelen op grond van de zorgplicht enkel op zijn plaats is als het Activiteitenbesluit geen uitputtende regel daaromtrent bevat. Artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit bevat volgens de bestuursrechter een dergelijke uitputtende regel met betrekking tot het opleggen van energiebesparende maatregelen. Dat bepaalt namelijk dat degene die de inrichting drijft alle energiebesparende maatregelen neemt met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Het uitputtende karakter is volgens de rechtbank gelegen in het feit dat in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit een verplichting wordt opgelegd ten aanzien van alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar.

Nu artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit een uitputtende regeling bevat, had de gemeente Amsterdam het besluit tot het opleggen van de energiebesparende maatregelen niet mogen baseren op de zorgplichtbepaling van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. De bestuursrechter vernietigt daarom het besluit tot het opleggen van de energiebesparende maatregel.

Er zijn wel degelijk mogelijkheden

De hierboven behandelde uitspraak laat naar onze mening zien dat in tegenstelling tot wat de wethouder Duurzaamheid van Amsterdam stelt, bestuursorganen wel degelijk beschikken over handvatten om energieverspilling tegen te gaan. De desbetreffende besluitvorming waarin energiebesparende maatregelen worden opgelegd dient dan echter wel op de juiste grondslag te zijn gebaseerd.

Heeft u vragen over deze blog? U kunt contact opnemen met Jan Rube of Frank Wijnveld op info@rubewijnveld.nl of 020 303 2489.


Meer duidelijkheid over juridische status van woonboten

Onlangs is door de minister van Wonen en Rijksdienst een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer die duidelijkheid moet scheppen over de juridische status van woonboten en andere drijvende objecten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf zoals een drijvend hotel.

Voorgeschiedenis

De onduidelijk over de juridische status van woonboten is in 2014 ontstaan naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”). Kort gezegd zag de zaak op een voor de verbouwing van een woonboot door een gemeente verleende vergunning. De Afdeling overwoog dat de desbetreffende woonboot moest worden aangemerkt als bouwwerk als bedoeld in de Wabo.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling luidt de definitie van het begrip ‘bouwwerk’ als volgt:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op een plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Tot de bovengenoemde uitspraak gingen gemeenten en provincies ervan uit dat woonboten geen bouwwerken waren en vond de vergunningverlening voor woonboten haar grondslag in gemeentelijke dan wel provinciale verordeningen en niet in de Woningwet en de Wabo. De conclusie dat een woonboot als bouwwerk moet worden aangemerkt had als consequentie dat veel andere woonboten ook als bouwwerk in de zin van de Woningwet aangemerkt zouden moeten worden, omdat de Wabo bij het begrip ‘bouwwerk’ aansluit bij de Woningwet.

Onzekerheid

Dit heeft onzekerheid veroorzaakt bij gemeenten, provincies en woonbooteigenaren over de vraag wanneer een woonboot legaal op zijn plek ligt. Op grond van de Wabo is het namelijk verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk op te richten. Daarnaast dient een bouwwerk op grond van de Woningwet te voldoen aan de technische eisen die voor bouwwerken zijn neergelegd in het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat een groot aantal woonboten niet beschikt over de juiste vergunning, omdat daarvoor nooit een omgevingsvergunning op grond van de Wabo is verleend. Immers de aan de desbetreffende woonboten verleende vergunningen of ontheffingen vinden hun grondslag niet in de Wabo, maar in een gemeentelijke- of provinciale verordening. Daar komt bij dat voor veel woonboten geen omgevingsvergunning verleend zou kunnen worden, omdat deze niet voldoen aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012.

Geen vergunning voor schepen in de vaart

Om deze problemen op te lossen voorziet het wetsvoorstel, kort gezegd, in wijzigingen van de Woningwet en de Wabo. Zo zullen op grond van de gewijzigde Woningwet schepen die bedoeld zijn om mee te varen en waarvan de hoofdfunctie varen is niet vallen onder het begrip bouwwerk. Daarnaast wordt voor schepen die voor verblijf zijn bestemd maar daarbij ook voor de vaart worden gebruikt in de Woningwet expliciet vastgelegd dat deze groep schepen niet onder de regelgeving voor bouwwerken valt.

Overgangsrecht bestaande woonboten

Voor alle bestaande woonboten waarvan eerder werd aangenomen dat het geen bouwwerken betrof en die voldeden aan de geldende lokale regels, wordt met het wetsvoorstel voorzien in overgangsrecht. Zo zijn op grond van dit overgangsrecht de technische voorschriften uit het Bouwbesluit niet van toepassing op de nieuwbouw, de verbouw, de staat en het gebruik van bestaande woonboten. Verder zullen de in het verleden verleende vergunningen of ontheffingen op grond van de gewijzigde Wabo worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning.

Nieuwe woonboten

Op nieuw te bouwen woonboten zal het Bouwbesluit 2012 op grond van de Woningwet wel van toepassing zijn. In het Bouwbesluit zullen volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel echter waar nodig nog specifieke voorschriften voor woonboten, dan wel niet van toepassing worden verklaard. Daarnaast zal voor nieuw te bouwen woonboten een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig zijn.

Heeft u vragen over deze blog? U kunt contact opnemen met Jan Rube of Frank Wijnveld op info@rubewijnveld.nl of 020 303 2489.