Seafood Shop

Last onder bestuursdwang Seafood Shop vernietigd

The Seafood Bar heeft in een langdurige handhavingsprocedure een kleine overwinning behaald. Op 14 oktober 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) het hoger beroep van de Seafood Bar tegen het door het college van burgemeesters en wethouders van Amsterdam (hierna: ‘het College’) opgelegde handhavingsbesluit deels gegrond verklaard. Hoewel de Afdeling van mening blijft dat de Seafood Bar het perceel van de Seafood Shop gebruikt als Horeca-1 bedrijf en niet als detailhandel, ging het de Afdeling te ver dat er helemaal geen broodje vis of een haring verkocht mocht worden.

Bestemmingsplan

Gemeenten zijn verplicht om voor het gehele grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen. Hierin kun je terugvinden of horeca bijvoorbeeld is toegestaan op een bepaalde locatie of welke inrichting van toepassing is op een pand. Het is dus voor een onderneming van groot belang te weten welke regels er gelden voor zijn pand en welk gebruik er is toegestaan.

De casus

In 2018 heeft de Seafood Bar een last onder bestuursdwang opgelegd gekregen om de exploitatie van de Seafood Shop op de Leidsestraat 61 in Amsterdam te staken. Het gebruik van het perceel zou onder Horeca-1 vallen en niet onder detailhandel wat daar volgens het bestemmingsplan Zuidelijke Binnenstad (centrum-1) is toegestaan. Horeca-1 bedrijven zijn vooral bedrijven waarbij als hoofdzaak etenswaren en maaltijden worden verstrekt die ter plaatse worden geconsumeerd, zoals een automatieken snackbar of fastfood restaurants.

Een last onder bestuursdwang is een zogenoemde ‘herstelsanctie’, het is een maatregel die een bestuursorgaan kan opleggen wat gericht is op het beëindigen van een overtreding. De last onder bestuursdwang die de Seafood Bar opgelegd krijgt houdt het volgende in: de Seafood Bar dient de (raam-/wand) tafels en de zitgelegenheid te verwijderen en de verkoop van etenswaren voor directe consumptie te staken in de Seafood Shop. Tegen het besluit van het College, de last onder bestuursdwang, heeft de Seafood Bar beroep ingesteld bij de Rechtbank van Amsterdam.

De rechtbank was ten tijde van het besluit van mening dat de hoofdactiviteit van de Seafood Bar “het verkopen van als fastfood aan te merken etenswaren voor directe consumptie ter plaatse” is, waarop de inrichting van het pand ook is afgestemd. Door toezichthouders van de gemeente Amsterdam is aantal constateringen gedaan van de Seafood Bar geëxploiteerde Seafood Shop. Er stond een tafel met vier krukken eronder, het personeel stond vis te frituren en verkocht de gebakken vis aan klanten. Een klein deel is slechts verse vis die kan worden meegenomen naar huis, menuborden zijn in het Engels en Nederlands, er staan Engelse teksten op de buitenramen en er lag een bakje met visitekaartjes van de toeristenorganisatie Tripadvisor. Dit heeft ervoor gezorgd dat het College er volgens de rechtbank van Amsterdam vanuit mocht gaan dat er in het pand sprake is van Horeca-1 en niet van detailhandel. Bij uitspraak van 3 juli 2019 heeft de rechtbank heeft het beroep van de Seafood Bar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de Seafood Bar hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

De overwegingen van de Afdeling

Op 26 augustus 2020 is deze zaak ter zitting behandeld in hoger beroep en op 14 oktober 2020 heeft de Afdeling haar uitspraak gedaan. De Afdeling overwoog dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de inrichting van het pand van de Seafood Shop bij het besluit in 2018 was aan te merken als Horeca-1 en niet als detailhandel. De Afdeling is van oordeel dat de inrichting gericht was op het verstrekken van ter plaatste bereiden van etenswaren en het ter plaatse consumeren daarvan. In de ruimte staan tafels en stoelen en wandtafels met losse krukken die een zitgelegenheid bieden voor het consumeren van etenswaren ter plaatse. Hierdoor was volgens de Afdeling het College bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen.

Echter de Afdeling volgt het College niet ten aanzien van de inhoud van de last onder bestuursdwang. Het College heeft namelijk meerdere malen aangegeven dat als in beperkte mate voedsel voor directe consumptie wordt verkocht er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Het College heeft ook tijdens de zitting gesteld dat verkoop van een broodje vis of een haring aanvaardbaar moet worden voor een bedrijf waar detailhandel wordt gedreven. In de last onder bestuursdwang heeft het College echter een totaal verbod opgelegd voor het consumeren van etenswaren ter plaatse. De last strekt dus verder dan noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. De herstelmaatregelen mogen echter niet verder strekken dan nodig is om de overtreding te beëindigen. Dit heeft ertoe geleid dat de Afdeling het hoger beroep van de Seafood Bar op dat punt gegrond heeft verklaard.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de last onder bestuursdwang in verhouding moet staan met de overtreding. De opgelegde last mag niet verder strekken dan nodig is om de overtreding te beëindigen. Deze uitspraak is een goed voorbeeld voor het verder strekken van een last dan noodzakelijk is voor beëindiging van de overtreding. Hier wordt duidelijk hoe essentieel de inhoud van een last onder bestuursdwang is.

Ondanks dat de Afdeling het hoger beroep gegrond heeft verklaard is zij echter wel van mening dat er bij de Seafood Shop sprake was van Horeca-1 en niet van detailhandel. Uit de inrichting bleek de Seafood Shop gericht te zijn op het verstrekken van etenswaren voor directe consumptie en dat mag niet het hoofddoel zijn van een detailhandel maar wel van een Horeca-1 bedrijf.

Heeft u naar aanleiding van deze blog nog vragen, dan kunt u contact op nemen met mr. Frank Wijnveld of drs. mr. Jan Rube op 020-3032489 of per e-mail: info@rubewijnveld.nl.


Corona-helpdesk

Corona-helpdesk Rube & Wijnveld Advocaten

Voor vragen over de (juridische) gevolgen van de Corona-crisis voor uzelf of uw bedrijf kunt u vanaf heden contact opnemen met de Corona-helpdesk van Rube & Wijnveld Advocaten. De helpdesk service is kosteloos. Kunnen wij u niet direct verder helpen? Dan beschikt Rube & Wijnveld Advocaten over een netwerk van specialisten aan wie wij u kunnen doorverwijzen.

Corona-helpdesk
U kunt de helpdesk benaderen per telefoon op 020-3032489 en per e-mail op coronahelpdesk@rubewijnveld.nl. Verder zijn wij tijdens kantooruren eveneens bereikbaar via Skype op nummer +31646648599 of Google Hangouts via info@rubewijnveld.nl. Beantwoorden wij uw oproep niet direct? Stuur dan een e-mail met uw contactgegevens en dan nemen wij zo spoedig mogelijk contact met u op.
Retail en horeca

Ons kantoor staat van oudsher onder meer ondernemers in de retail- en horecasector bij. Dat zijn twee van de sectoren die op het moment het hardst wordt geraakt door de Corona-crisis. Rube & Wijnveld Advocaten kan bijvoorbeeld met u van gedachten wisselen over onder andere wat nu nog wel en niet mag als horecaondernemer, of welke verplichtingen u dient te nemen als winkelier.

Disclaimer

NB: Via de corona-helpdesk kunnen wij enkel algemene adviezen verstrekken en met u van gedachten wisselen over mogelijke verdere stappen. Rube & Wijnveld Advocaten kan daardoor niet instaan en verantwoordelijk worden gehouden voor de juistheid van deze algemene adviezen voor uw persoonlijke situatie. Daarvoor zal een advocaat-cliënt relatie aangegaan moeten worden. Mocht dat aan de orde zijn, dan zal dat tijdens het gesprek worden besproken.


Viswinkel

Toeristenwinkel of niet?

Het Parool kopte op 25 mei 2018 met “’Toeristische’ viswinkel Leidsestraat moet dicht”. Winkel voor de buurt zegt de exploitant, toeristenwinkel met snackbar lijkt de gemeente te zeggen. Of de gemeente Amsterdam gelijk heeft, is echter nog maar de vraag. Wat een “toeristenwinkel” exact is, is namelijk niet duidelijk. De soep wordt niet altijd zo heet gegeten als de gemeente zegt.

Viswinkel of toeristenwinkel

Het gaat om de nieuwe vestiging van de in Amsterdam bekende Seafood Bar, die in het centrum, de Pijp en de Rivierenbuurt restaurants exploiteert. De vestiging aan de Leidsestraat is echter geen restaurant, maar een viswinkel “The Seafood Shop“waar zoals in alle viswinkels in Nederland ook bijvoorbeeld gebakken kibbeling en broodjes haring wordt verkocht.

De gemeente Amsterdam lijkt dit echter anders te zien en verwijst volgens het Parool naar het in oktober 2017 vastgestelde Voorbereidingsbesluit op basis waarvan kort gezegd volgens de gemeente vanaf 6 oktober 2017 geen toeristenwinkels meer mogen openen in de binnenstad. In het Parool is te lezen dat dit zou komen door de Engelse naam The Seafood Shop, dat er wordt gefrituurd, er te weinig verse vis verkocht wordt en op de vensterbank een bordje van Tripadvisor aanwezig was.

Wanneer een winkel een toeristenwinkel is, of niet, is in tegenstelling tot wat de gemeente vaak zegt niet altijd volstrekt duidelijk te zeggen, waardoor er voor winkeliers vervelende handhavingsproblemen kunnen ontstaan.

Het voorbereidingsbesluit

Op grond van het Voorbereidingsbesluit mogen vanaf 6 oktober 2017 in de binnenstad van Amsterdam geen nieuwe winkels meer starten die zich op basis van reclame-uiting, presentatie, assortiment en/of bedrijfsvoering op toeristen richten. Verder mogen geen nieuwe winkels meer starten die etenswaren verkopen, maar die zich in hoofdzaak richten op het meegeven van die etenswaren om direct gegeten te worden.

Sinds het van kracht worden van het Voorbereidingsbesluit bestaat er echter discussie tussen winkeliers en de gemeente Amsterdam over de vraag waar nu exact de grens ligt. Met andere woorden, wanneer ben je gewoon een winkel en wanneer ben je toeristenwinkel of snackbar?

Soms is dat duidelijk, maar er is een groot grijs gebied. Een eenvoudig voorbeeld is een kaaswinkel die een standaard assortiment Nederlandse en buitenlandse kazen voert dat zich niet onderscheidt van de kaaswinkel in een winkelcentrum in Diemen. Het enige verschil is dat deze kaaswinkel is gevestigd in de binnenstad van Amsterdam waar nu eenmaal veel toeristen komen. Als winkelier zou je gek zijn om toeristen niet te faciliteren door bijvoorbeeld ook het assortiment in het Engels te vermelden. Je komt dan als winkelier al vrij snel in de buurt van een toeristenwinkel volgens de gemeente.

Een andere onduidelijkheid is wanneer een winkel zich nu in hoofdzaak richt op het verkopen van etenswaren voor directe consumptie. Dat een viswinkel gebakken kibbeling verkoopt en daarmee niet een snackbar is, is algemeen geaccepteerd. Wat je als winkelier echter niet in de hand hebt is de vraag naar de kibbeling. Afhankelijk van waar de winkel is gevestigd en welk publiek daar rondloopt is het denkbaar dat je meer kibbeling verkoopt dan op een andere plaats. Assortiment, uitstraling en wijze van verkoop zijn niet anders, maar als de verkoop van kibbeling de overhand begint te krijgen, dan zou de gemeente zomaar kunnen concluderen dat je je in hoofdzaak richt op het verkopen van etenswaren voor directe consumptie. Zonder dat je daar directe invloed op kunt uitoefenen.

Wijze van handhaving

Een ander opvallend aspect wat te lezen is in het artikel van het Parool is dat de gemeente pas met de winkelier wil praten nadat hij de winkel heeft gesloten. Dat is een harde opstelling van de gemeente die in strijd lijkt te zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Immers, mocht er al sprake zijn van een overtreding, dan kan deze op verschillende manieren worden opgelost, bijvoorbeeld door het assortiment of de inrichting aan te passen, waardoor de winkel niet zou hoeven te sluiten. Het is wel altijd handig om dat in overleg met de gemeente te doen om misverstanden te voorkomen. Door de deur voor dat overleg dicht te gooien, lijkt de gemeente alleen deze mogelijke oplossing af te kappen, wat in strijd lijkt te zijn met het beginsel van fair play en het evenredigheidsbeginsel. Nog daargelaten of de geëiste sluiting het meest evenredige handhavingsmiddel is.

Kom op voor je rechten

Bovenstaande voorbeelden maken duidelijk dat hoewel er een grijs gebied is, de gemeente vrij snel zou kunnen concluderen dat winkels in strijd handelen met het Voorbereidingsbesluit, wat weer verstrekkende gevolgen kan voor de winkelier. Als advocatenkantoor staan wij veel winkeliers bij die te maken hebben (gehad) met deze vragen. Hoewel elke zaak en elke winkel verschilt is de gemene deler dat het altijd aan te raden is om het standpunt van de gemeente goed en kritisch te bekijken. Er is veel ruimte voor discussie.

Meer vragen over het Voorbereidingsbesluit, de grens tussen winkel, toeristenwinkel en horeca of handhaving? Neem contact op met Rube & Wijnveld advocaten op 0203032489, of info@rubewijnveld.nl. Een eerste gesprek is altijd kosteloos.

Foto: Franklin Heijnen. De winkel op de foto is niet The Seafood Shop.


Leidinggevende

Leidinggevende in supermarktslijterij verplicht

In september 2015 schreven wij al over een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:4940) waarin de rechtbank oordeelde dat in de “supermarktslijterijen” altijd een afzonderlijke leidinggevende aanwezig dient te zijn en deze dus niet “in de supermarkt” zelf mocht rondlopen. Doordat het een principiële kwestie was, die voor supermarkten gevolgen zou kunnen hebben, was de verwachting dat de zaak ook voorgelegd zou worden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inmiddels heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 december 2016 drie uitspraken gedaan hierover en kort gezegd het oordeel van de rechtbank bevestigd. In slijterijen in supermarkten zal daardoor permanent een leidinggevende aanwezig moeten.

De aanleiding

Op grond van artikel 24 lid 1 Drank- en horecawet (hierna: “DHW”) is het verboden een slijterij voor het publiek geopend te houden als geen leidinggevende binnen de inrichting aanwezig is, die vermeld staat op de bijlage bij de slijtvergunning. De vraag is of “de inrichting” waar de slijtvergunning op ziet enkel wordt gevormd door de slijterij, of door de slijterij en de supermarkt tezamen. Indien dat laatste het geval zou zijn, wordt ook aan de aanwezigheidsverplichting voldaan als de leidinggevende in de supermarkt (en dus niet in de slijterij zelf) aanwezig is.

De drie procedures zijn aangekaart door branchevereniging SlijtersUnie. In de desbetreffende supermarkten zijn tevens een slijterijen gevestigd in een aparte ruimte. Ten aanzien van deze slijterijen had SlijtersUnie een verzoek om handhaving ingediend bij de burgemeesters van de afzonderlijke gemeenten, omdat volgens de Vereniging de desbetreffende slijterij in strijd met artikel 24 lid 1 DHW geopend is op momenten dat geen leidinggevende aanwezig is in de aparte ruimte waar het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend binnen de supermarkt.

De burgemeesters waren van mening dat geen afzonderlijke leidinggevende permanent in het slijterijgedeelte van de supermarkt aanwezig hoefde te zijn en wezen daarom de verzoeken van SlijtersUnie af. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde echter als gezegd anders. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn de uitkomst van het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant.

Leidinggevende en slijtersbedrijf

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt de rechtbank in het oordeel dat de inrichting waar de slijtvergunning op ziet de lokaliteiten omvat waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De Afdeling vervolgt door te overwegen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat een “inrichting niet bestaat uit het gehele pand, waarin zowel de supermarkt als de slijterij is gevestigd, maar slechts uit de daarin gesitueerde besloten ruimten waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend”.

Van belang is dus in welke besloten ruimte het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De partijen waren het er over eens dat deze activiteiten in de slijterij met een oppervlakte van 32 m² worden uitgeoefend. De slijtlokaliteit valt daarom samen met de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, zoals artikel 1 lid 1 DHW bepaalt. De supermarkt maakt geen onderdeel uit van die inrichting. Andere ruimten kunnen wel tot de inrichting behoren, maar die ruimten moeten direct noodzakelijk zijn voor en ten dienste moeten staan van de bedrijfsvoering van het slijtersbedrijf. Daarbij kan volgens de Afdeling gedacht worden aan (eventueel met de supermarkt gedeelde) kantoorruimte en voorraadloods. De supermarkt is zelf echter niet zo een “andere besloten ruimte”. De Afdeling verwijst daarvoor eveneens naar de wetsgeschiedenis waarin voorbeelden van warenhuizen en winkelcentra worden genoemd die in feitelijke zin als één besloten ruimte gezien zouden kunnen worden maar waarin het slijtersbedrijf in de zin van de DHW in een besloten ruimte binnen het winkelcentrum of warenhuis uitgeoefend moet worden.

Consequenties

Het gevolg van de uitspraken is dat dus altijd een leidinggevende aanwezig moet zijn in de slijterij in een supermarkt of in de ruimten die daarbij horen. Enkel de leidinggevende van de supermarkt op de vergunning zetten is dus niet voldoende.

Relativiteitsvereiste

Een ander relevant punt in deze uitspraken is dat hierin voor de eerste maal in navolging van de conclusie van advocaat-generaal Widderhoven een zogenoemde correctie op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. Daar zullen wij in een ander blog nader op ingaan.

Indien u nog vragen heeft over Drank- en horecawetvergunningen kunt u contact met ons opnemen op info@rubewijnveld.nl of 020 303 2489.

 


Geluidsnormen

Kortdurend en incidenteel strijdig gebruik

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) is het mogelijk om met het geldende bestemminsplan strijdige gebruik toe te staan, als er sprake is van “kortdurend en incidenteel” strijdig gebruik. Over het antwoord op de vraag wanneer het strijdige gebruik slechts kortdurend en incidenteel is niet altijd even duidelijk. In een recente uitspraak geeft de Afdeling iets meer duidelijkheid.

In deze zaak heeft de burgemeester van Bodegraven-Reeuwijk aan de exploitanten van een sporthal een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van een kantine in en terras bij de sporthal. De exploitatievergunning biedt horeca-inrichtingen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: “APV”) van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk onder meer de mogelijkheid om acht maal per jaar activiteiten met versterkte live muziek binnen de sporthal te laten plaatsvinden, waarbij de geldende geluidsnormen niet van toepassing zijn.

Appellant is een omwonende van de sporthal en heeft tegen de verlening van de vergunning bezwaar gemaakt. Volgens appellante is de verlening van de exploitatievergunning in strijd met het bestemmingsplan. Verder stelt de appellant dat het door de exploitatie van de sporthal geproduceerde geluid het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. Deze grond voor hoger beroep is in het vorige nieuwsartikel al behandeld.

Strijd met het bestemmingsplan

Appellant is, in tegenstelling tot de burgemeester, van mening dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren op grond dat de exploitatie in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het volgens verwachting van vijf keer per jaar houden van een niet-sport gerelateerd feest niet is aan te merken als kortdurend en incidenteel gebruik in strijd met de ter plaatse van de sporthal geldende bestemming. De appellant voert hiertoe aan dat de burgemeester op grond van de APV een exploitatievergunning moet weigeren indien de exploitatie in strijd is met een bestemmingsplan en die bepaling geen ruimte biedt voor een uitzondering bij kortdurend en incidenteel strijdig gebruik. Ook voert hij aan dat op basis van de uitspraak van de rechtbank niet duidelijk is wanneer handhavend kan worden opgetreden omdat het met de bestemming strijdige gebruik niet kortdurend en incidenteel is.

Kortdurend en incidenteel strijdig gebruik

De Afdeling geeft de appellant gelijk en overweegt dat, nu appellant in bezwaar heeft aangevoerd dat de exploitatie van de sporthal in strijd zou zijn met het geldende bestemmingsplan, de burgemeester had moeten onderzoeken of de voorgenomen exploitatie ook daadwerkelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Interessanter is echter dat de Afdeling verder overweegt dat bij het vijf keer per jaar houden van een dergelijk feest geen sprake is van een kortdurend en incidenteel met de bestemming strijdig gebruik. De Afdeling helaas overigens niet aan wanneer dan wel sprake zou zijn van kortdurend en incidenteel strijdig gebruik. Dat is iets wat de burgemeester dan moet onderzoeken.

Voor vragen over de interpretatie van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen om van bestemmingsplannen af te kunnen wijken kunt u contact opnemen met Rube & Wijnveld Advocaten op 020 3032489 of per e-mail op info@rubewijnveld.nl.


Geluidsnormen

Geluidsnormen en het woon- en leefklimaat

Dat een horeca-inrichting voldoet aan de geldende geluidsnormen, betekent niet dat het door de horeca-inrichting geproduceerde geluid het woon-en leefklimaat in de omgeving niet ontoelaatbaar kan beïnvloeden. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”).

In deze zaak had de burgemeester van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan de exploitanten van een sporthal een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van een kantine in en terras bij de sporthal. De exploitatievergunning biedt exploitanten van een horeca-inrichting op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: “APV”) van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk onder meer de mogelijkheid om acht maal per jaar activiteiten met versterkte live muziek binnen de sporthal te laten plaatsvinden, waarbij de geldende geluidsnormen niet van toepassing zijn. De appellant in deze zaak is een omwonende van de sporthal die bezwaar heeft gemaakt tegen de exploitatievergunning, omdat hij daarvan geluidsoverlast ondervindt. Het door hem gemaakte bezwaar en het daarop door hem ingestelde beroep zijn achtereenvolgens ongegrond verklaard.

De appellant stelt dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren op grond dat de exploitatie in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het volgens verwachting van vijf keer per jaar houden van een niet-sportgerelateerd feest niet is aan te merken als kortdurend en incidenteel gebruik in strijd met de geldende bestemming. Aan deze beroepsgrond zal in het volgende nieuwsbericht aandacht worden besteed.

Geluidsoverlast

Voor wat betreft geluid voert appellant aan dat de geluidsoverlast die dreigt zodanig is dat sprake is van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie als bedoeld in de APV. Hij wijst onder meer op de korte afstand tussen zijn woning en de sporthal, en de omstandigheden dat zijn woning en de sporthal verbonden zijn – waardoor vooral lage muziektonen doorklinken – en zijn slaapkamer zich nabij de ingang van de sporthal bevindt. De appellant stelt na afloop van een evenement met versterkte muziek tot in de nacht last te hebben van de uitstroom van publiek en het inladen van spullen.

Geluidsnormen en woon- en leefklimaat

De rechtbank, en later de Afdeling, heeft overwogen dat eventuele geluidsoverlast vanuit de horeca-inrichting moet worden betrokken bij de beoordeling of de woon- en leefsituatie ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester heeft dit niet gedaan. Bij de verlening van de exploitatievergunning heeft de burgemeester slechts te kennen gegeven dat hij, gelet op het door hem gevolgde advies van de bezwaarcommissie, de Omgevingsdienst Midden-Holland zal verzoeken om een geluidmeting uit te voeren bij de eerstvolgende festiviteit ter plaatse van de sporthal. De Afdeling overweegt dat de burgemeester hiermee echter onvoldoende heeft onderzocht of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de sporthal door de geluidsproductie ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. Dat de horeca-inrichting, behalve bij live muziek, door plaatsing van een geluidsbegrenzer aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit voldoet en daarbij de exploitant maximaal acht keer per jaar live-muziek ten gehore wil brengen is niet relevant. De beoordeling of het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed, is volgens de Afdeling immers een andere dan de beoordeling of aan de geluidsnormen wordt voldaan.

Conclusie

Het staat er wat cryptisch, maar wat de Afdeling bedoelt te zeggen is dat het woon- en leefklimaat uit meer bestaat dan alleen geluidsnormen die voor de muziekinstallatie gelden. Bijvoorbeeld borrelend publiek op het terras of (groepen) mensen die met de auto vertrekken produceren ook geluid dat niet wordt meegenomen in de beoordeling van de geluidsnormen. Met andere woorden, bij de beoordeling of de exploitatie van een horeca-inrichting de woon- en leefomgeving ontoelaatbaar beïnvloed dient, naast zaken als parkeerdruk en geur, ook het geluid (ook als de geluidsnormen niet worden overschreden) te worden meegenomen in de afweging.

Voor vragen over geluidsnormen, horeca-recht en exploitatievergunningen kunt contact opnemen met Rube & Wijnveld Advocaten op 020 3032489, of per e-mail op info@rubewijnveld.nl.